
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Artikel 2
1
Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder vervolging verstaan iedere handeling of maatregel, welke tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 door of namens de Nederland of het voormalige Nederlands-Indië vijandelijke bezettende machten werd gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof, wereldbeschouwing of homosexualiteit en welke heeft geleid tot:
a
vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd, met inbegrip van het transport naar en tussen dergelijke verblijfplaatsen;
b
ondergaan van sterilisatie om aan vrijheidsberoving te ontkomen;
c
onderduiken om aan vrijheidsberoving te ontkomen.
2
Onder vervolging worden tevens verstaan handelingen of maatregelen:
a
van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, welke werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling en welke hebben geleid tot omstandigheden als omschreven in het eerste lid, onder a;
b
van de vijandelijke bezettende macht van Nederland, welke werden gericht tegen personen, die zich aan verplichte tewerkstelling hebben onttrokken en welke hebben geleid tot omstandigheden als omschreven in het eerste lid, onder a.
3
Handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van Nederland, welke werden gericht tegen personen wegens het zich onttrekken aan krijgsgevangenschap, worden niet onder vervolging begrepen.
Jurisprudentie bij dit artikel
- Hieronder wordt een selectie van de bijbehorende jurisprudentie getoond.
-
LJN AT7814, Eerste aanleg - meervoudig, 04/525 WUBO
Rechtsoort
Sociale zekerheid
Datum uitspraak
09-06-2005
Status
gepubliceerd
Soort procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Instantie
gepubliceerd
Rechtsoort
Centrale Raad van BeroepWeigering erkenning als burgeroorlogsslachtoffer dat niet aannemelijk is geworden dat betrokkene is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet, aangezien van onderduik geen sprake is.